|
Je krijgt een PU-transportband meestal het snelst rustig door te kijken naar drie dingen tegelijk: je kleinste bochtradius, de banddikte en hoe je product de band belast (vlak, puntig, met impact of met opstuwing). Als die combinatie klopt, loopt de band stabieler, hoef je minder te corrigeren met tracking en hoor je minder geluid over trommels. De term “PU” is dan minder belangrijk dan de match tussen dikte + opbouw + jouw lijn. Wil je dezelfde termen spreken over varianten en toepassingen, kijk dan op PU-transportbanden. Begin bij je bochtradius: waar het vaak misgaatDe bochtradius bepaalt in de praktijk welke banddikte en opbouw nog netjes blijven lopen. Start daarom bij je kleinste bochtradius: de kleinste trommel of keerrol in het hele traject. Die ene plek dwingt de band om te buigen. Is het daar al krap, dan ga je dat overal terugzien. Praktisch: dunner/soepeler buigt makkelijker en loopt in compacte bochten vaak rustiger. Dikker geeft meer steun, maar vraagt meer ruimte om te buigen. Als je eerst de radius vastlegt en daarna pas dikte/opbouw kiest, voorkom je dat tracking een terugkerend klusje wordt en dat randen en las onnodig hard moeten meewerken. Plekken waar je lijn meestal laat zien dat het gevoelig is:
Bij krappe bochten geeft een soepelere opbouw vaak sneller rust dan “gewoon dikker” kiezen. Dan je last: kijk naar contactvlak en gedrag, niet alleen naar kilo’sDe band moet niet alleen gewicht dragen, maar vooral het contactgedrag van je product goed verwerken:
Je ziet vaak snel of de opbouw genoeg steun geeft zonder meteen zwaarder te gaan. Signalen die richting geven:
Bij veel impact of puntbelasting voelt een dikkere band vaak stabieler omdat hij minder doorbuigt. Is je kleinste bochtradius juist krap, dan kun je ook stabiliteit zoeken in de opbouw (bijvoorbeeld andere treklagen) in plaats van extra millimeters. Snelle werkvloerchecks die echt iets zeggenJe hoeft niet meteen datasheets te pakken; de band vertelt veel:
Waar het schuurt: wanneer PU of deze dikte minder fijn isPU is vaak prima, maar soms werkt een andere toplaag, opbouw of bandsoort rustiger of praktischer. Bij nat/vet product met een gladde toplaag wordt grip bij de aandrijving sneller de beperkende factor. Een andere structuur kan helpen, met als keerzijde dat structuur vaak meer aandacht vraagt bij schoonmaken omdat vuil makkelijker blijft zitten. Bij heel krappe bochten en een dikkere band geeft een dunnere/soepelere opbouw vaak rust in tracking en minder belasting op trommels/lagers. Past dat niet, dan kan een andere bandsoort (bijvoorbeeld pvc of rubber) praktischer zijn, afhankelijk van wat je lijn nodig heeft. Montage telt ook mee: eindloos geleverd kan mooi lopen. Is er weinig demontageruimte, dan is op locatie lassen vaak praktischer, mits je genoeg toegang hebt om de las vlak te maken en strak uit te lijnen. Even sparren over jouw lijn?Wil je dat we gericht meedenken, deel dan: bandbreedte en -lengte, kleinste trommeldiameter (in het hele traject), producteigenschappen (droog/nat/vet) en hoeveel montageruimte je hebt. Dan kun je sneller bepalen welke dikte en opbouw het meest stabiel loopt, en wat handig is voor montage en onderhoud. |












